voetnoot

Pesten en gepest worden

M. Dekker, H.C.M. Vorst & W.H.M. van Osch

Analyse van de testgegevens van bijna 90.000 leerlingen heeft schokkende cijfers naar voren gebracht. Ongeveer 76% van de leerlingen is tenminste in enige mate betrokken bij het pesten van anderen. 40% van de leerlingen is relatief sterk betrokken bij pesten van anderen.

Pesten is een verschijnsel dat voorkomt in alle culturen, alle landen, alle lagen van de bevolking en op alle leeftijden.

Soorten pesten

In het algemeen uit pesten zich op drie manieren: verbaal, relationeel en fysiek. Jongens pesten vaker op een fysieke, directe manier en meisjes door anderen sociaal buiten te sluiten of verbaal te kleineren. Daarbij pesten jongens het meest frequent.
Pesten omvat wereldwijd het volgende:

  1. De pester wil het slachtoffer kwetsen of bang maken.
  2. Het slachtoffer is herhaaldelijk het doelwit van agressie.
  3. Het slachtoffer lokt het pesten niet zelf uit door verbale of fysieke agressie.
  4. Pesten vindt plaats binnen bekende sociale groepen.
  5. De pester is machtiger (in werkelijkheid of ingebeeld) dan het slachtoffer.

Gevolgen

Zowel pesten als gepest worden heeft vervelende gevolgen. Mildere, maar niet minder vervelende gevolgen van gepest worden zijn slaapproblemen, hoofd- en buikpijn en bedplassen. Ook verminderd zelfvertrouwen, een negatief zelfbeeld, eenzaamheid en uitsluiting door leeftijdgenoten kunnen de gevolgen zijn van gepest worden. Dit geldt evenzo voor de pesters. Op de lange termijn hebben degenen die gepest worden een grotere kans op depressiviteit, angststoornissen, een laag zelfvertrouwen en psychiatrische stoornissen. De mensen die pesten lopen eveneens een groter risico op een aantal ernstige problemen zoals depressiviteit, psychiatrische stoornissen, drugsgebruik, wangedrag op school en criminaliteit.

Mogelijke oorzaken van pesten

Pesten of gepest worden gaat samen met verscheidene factoren. Zowel persoonlijke factoren als omgevingsfactoren kunnen aanleiding zijn betrokken te raken bij pesten. Onderzoek wijst uit dat zowel slachtoffers als pesters vaker last hebben van overgewicht en thuis door familie vaak om hun uiterlijk geplaagd worden. Actief sportende leerlingen blijken eveneens vaker betrokken te zijn bij pesten maar zijn zelf minder vaak het slachtoffer. Daarbij blijkt een negatieve psychosociale omgeving op school samen te hangen met pestgedrag. De schoolomgeving kan pesten aanwakkeren doordat:

  1. docenten weinig om de leerlingen geven;
  2. leerlingen niets te verliezen hebben op school;
  3. leerlingen door de docenten met weinig respect worden behandeld;
  4. leerlingen selectief worden achtergesteld;
  5. de straffen per leerling verschillen en/of
  6. leerlingen zich minder verbonden voelen met school.

Niet alleen de schoolomgeving draagt bij aan het pesten en gepest worden. Kinderen met problemen in hun woonwijk worden eerder slachtoffer van pesten. Bovendien blijken bepaalde factoren zoals kindermishandeling en huiselijk geweld kinderen eerder tot pesten te kunnen aanzetten of tot slachtoffer te kunnen maken.

Schoolhouding en pesten of gepest worden

Het is belangrijk te weten hoe het functioneren van leerlingen op school zich verhoudt tot pesten en gepest worden. Met functioneren wordt hier de houding ten opzichte van school en de hieruit voortvloeiende prestatie bedoeld. Deze schoolhouding is onder te verdelen in leer- en prestatiemotivatie, tevredenheid betreffende het schoolleven en zelfvertrouwen ten opzichte van schoolwerk. Verscheidene onderzoeken hebben aangetoond dat verminderde schoolgerelateerde motivatie, verminderde schoolgerelateerde tevredenheid en weinig schoolgerelateerd zelfvertrouwen samenhangen met slechtere prestaties.

De relatie tussen schoolhouding en de daarmee samenhangende prestatie en pesten is onderzocht. Uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat pesten en/of gepest worden negatieve gevolgen kan hebben voor de betrokkenen. Zij hebben een lagere motivatie voor school, zijn minder tevreden over hun schoolleven en slachtoffers hebben ook nog eens een lager zelfvertrouwen met betrekking tot hun schoolwerk dan niet-pestende leerlingen. Deze slechte schoolhouding leidt weer tot een slechtere leerprestatie, waardoor deze leerlingen zowel op het sociaal-emotionele als het intellectuele vlak problemen ondervinden.

In lijn met deze conclusie zijn de bevindingen van een onderzoek naar het verband tussen de pester, het slachtoffer en hun prestaties. Zowel de pesters als de slachtoffers vertonen lagere prestaties in verhouding tot de niet-pesters en niet-slachtoffers. Bovendien zien zij zichzelf als iemand met weinig capaciteiten. Slachtoffers van pestgedrag hebben minder zelfvertrouwen, zijn minder tevreden op school en zijn minder gemotiveerd te presteren op school. Daarbij blijkt pesten op den duur schadelijker voor het zelfvertrouwen van meisjes dan voor het zelfvertrouwen van jongens.

Omgaan met pesten

Leerlingen blijken via verschillende methoden om te kunnen gaan met pesten. Zij weten de negatieve gevolgen van pesten te beperken of volledig te voorkomen door probleemgestuurd de pestsituatie aan te pakken (met meerdere oplossingen komen om de situatie aan te pakken) of door sociale steun te zoeken (iemand vragen om advies wat te doen). Beide methoden worden bekrachtigd wanneer de leerling de pestsituatie als een uitdaging ziet in plaats van een bedreiging. Deze methoden zijn op de lange termijn het duurzaamst en effectiefst. Hoewel sociale steun zoeken in de praktijk wenselijk is, komt het niet veel voor omdat leerlingen bang zijn voor gezichtsverlies of om nog meer gepest te worden.

Wishful thinking (hopen op een wonder) wordt gebruikt tegen pesten wanneer de pestsituatie als oncontroleerbaar wordt ingeschat. De pestsituatie kan ook genegeerd of ontweken worden. Negeren komt voornamelijk voor bij verbaal pestgedrag en ontwijken bij fysiek pestgedrag. Leerlingen die vaak gepest worden geven de voorkeur aan deze laatste strategieën, ondanks het feit dat deze minder effectief zijn.

Psychologische veerkracht en pesten

Het kunnen omgaan met pesten verschilt van kind tot kind. Waar het ene kind het pesten nauwelijks aankan, trekt het andere kind zich er weinig van aan. Sommige kinderen kunnen zich erg goed weren tegen pesten. Dusdanig dat het hen behoedt voor de ergste effecten van pesten. Zij tonen psychologische veerkracht.

Psychologische veerkracht kan worden omschreven als de capaciteit om op succesvolle wijze om te gaan met stressvolle, risicovolle of negatieve situaties. Zowel intrinsieke als extrinsieke factoren dragen bij aan de ontwikkeling van psychologische veerkracht. Onder intrinsieke factoren worden verstaan de persoonlijkheidskenmerken van het individu zoals empathie, zelfvertrouwen en zelfeffectiviteit. Extrinsieke factoren zijn onderdelen van het sociale netwerk waaronder een steungevende familie, de positieve invloed van leeftijdgenoten en een zorgzame school of gemeenschap. Gebleken is dat kinderen die weinig psychologische veerkracht hebben meer dan twee keer zo veel kans hebben om slachtoffer te worden van pesten. Kinderen met een hoge mate van psychologische veerkracht ervaren in stressvolle situaties minder of geen psychische stress. Zij zijn optimistischer, weten stressvolle situaties beter te hanteren en hebben een betere band met hun ouders en leeftijdgenoten. Wanneer een kind tot een solide en sociale groep behoort wordt kwetsend gedrag niet als een persoonlijke aanval ervaren. Echter, een mogelijk gevolg van deze hechte sociale groep kan zijn dat het pestgedrag juist bevordert.

Pesten aanpakken en voorkomen

De SAQI kan gebruikt worden om zekerheid te verschaffen in situaties waarin vermoedens bestaan dat een leerling pest of gepest wordt. Bij vroegtijdige signalering kan ook eerder begonnen worden met programma’s om pesten tegen te gaan, want voorkomen is beter dan genezen. Pestgedrag beperkt zich niet alleen tot de school en haar omgeving. Antipest programma’s zouden ook gericht moeten zijn op de gemeenschap en de familie om te onderzoeken hoe pesten ontstaat en hoe het te voorkomen is. Alleen zo kunnen de ernstige, lange termijn gevolgen van pesten en gepest worden serieus aangepakt worden.

Olweus Bullying Prevention Program

Een van het bekendste en meest onderzochte pest preventie programma is het ‘Olweus Bullying Prevention Program’ (OBPP). Het programma is ontwikkeld om de relatie tussen leerlingen te verbeteren en een veilige en positieve schoolomgeving te creëren mede door alle deelnemers aan school bewust te maken van het fenomeen pesten. In de vorm van groepsdiscussies en andere activiteiten raken leerlingen bekend met de regels tegen pesten op school en kunnen houding ten aanzien van pesten en ideeën over pesten aangepast worden.

In het kort worden de hoofdonderdelen van het OBPP als volgt weergegeven:

  1. door discussies en voorlichting de ouders betrekken bij het fenomeen pesten;
  2. gesprekken voeren met zowel slachtoffers als daders van pesten;
  3. op reguliere basis in de klas leerlingen met elkaar laten praten om elkaar te leren kennen en empathie te bevorderen;
  4. duidelijke en voor iedereen dezelfde regels tegen pesten stellen;
  5. regelmatig vergaderingen beleggen over (de vorderingen van) het antipest programma;
  6. de school moet een antipest comité oprichten;
  7. de school moet trainingen organiseren voor personeel en leden van het comité;
  8. de school moet een goed gecoördineerd systeem van toezicht opzetten;
  9. de school moet onder de leerlingen een vragenlijst afnemen die anoniem de prevalentie van pesten meet;
  10. het antipest programma moet jaarlijks worden geëvalueerd.

Conclusie en aanbevelingen

In het algemeen kunnen antipest programma’s een positief effect hebben. Het vermindert pestgedrag, verhoogt schooltevredenheid en verbetert schoolprestaties. Het aantal pestincidenten neemt af bij het duidelijk stellen van regels en bij het wel of niet naleven van deze regels consequent respectievelijk te belonen of te straffen. Kinderen door speciaal getrainde volwassenen betrekken bij sociale activiteiten heeft eveneens een positieve invloed. Zoals pauzes met een sportieve invulling waarbij groepen op een nauwkeurig bedachte wijze verdeeld worden en met elkaar spelen.

De effectiviteit van een antipest programma zal toenemen wanneer deze de volgende componenten bevat:

  1. een uitgebreide training voor al het personeel;
  2. ouders bewustmaken door het geven van workshops;
  3. leerlingen voorzien van positieve strategieën tegen pesten;
  4. een schoolbrede aanpak om het pestvraagstuk bij docenten, overig personeel, ouders en leerlingen onder de aandacht te houden;
  5. de effectiviteit van het antipest programma onderzoeken;
  6. de onderzoeksresultaten delen met docenten, overig personeel, ouders en leerlingen.

Het onderzoek naar en aanpassen van antipest programma’s zal altijd nodig blijven. Het doel van deze programma’s is om voor alle kinderen een veilige en positieve schoolomgeving te creëren.

Nuttige links

www.pestweb.nl
www.omgaanmetpesten.nl
www.pesten.startpagina.nl